|
Twee maanden geleden werd mijn moeder met spoed overgeplaatst van een verzorgings- naar een verpleeghuis. Over deze dag heb ik het volgende geschreven.
Met een brok in mijn keel en een knoop in mijn darmen zit ik in de auto. Vandaag is de grote dag. Mama wordt opgenomen in een verpleeghuis, op een gesloten afdeling. Heftig!
Haar onafhankelijkheid, daar is niet veel van over. Was het de afgelopen 10 jaar fysiek steeds verder en verder achteruit gaan, nu laat haar geest haar ook helemaal in de steek. Op een aantal gebieden was haar geest al niet meer zo helder maar dat is niets vergeleken bij de angsten en wanen die ze nu heeft. Ze heeft haar heldere momenten nog wel maar steeds vaker leeft ze in een andere wereld. Een wereld die wij niet begrijpen. Een wereld waarin ze nog voor ons moet zorgen, waarin ze papa op wil halen van het station. Helaas is het geen fijne wereld. Meestal maakt ze zich zorgen. Ze maakt zich zorgen om haar man (die inmiddels ruim 6 jaar geleden is overleden), één van ons – de kinderen - of om haar kleinkinderen.
De medewerkers en medebewoners in het verzorgingshuis hebben afscheid genomen. De meesten zijn erg begaan met mijn moeder, dat is fijn. Soms merk ik dat ook medewerkers emotioneel zijn. Gelukkig, het zijn mensen die met liefde met deze ouderen omgaan en ze verzorgen. Wat mooi!
In deze nieuwe situatie probeer ik met haar realiteit mee te leven. Op de weg naar haar nieuwe thuis vroeg ze mij hoe we het nu hadden geregeld met mijn dochter. “Wat dan? “ vraag ik onschuldig. “Wie heeft haar nou eindelijk opgehaald?” antwoord ze. Oeps, wat ga ik hier nu op verzinnen? “o” antwoord ik, “door haar oom en tante”. “O” zegt mam op haar beurt. En dan is het stil.
In het verpleeghuis worden we goed ontvangen en op haar nieuwe kamer, die ze deelt met een andere mevrouw, drinken we koffie en thee terwijl we bespreken hoe het daar zo’n beetje reilt en zeilt. Mama kijkt voor zich uit. Bij sommige vragen draait ze zich naar mij om, “wat vind ik daarvan?”, vraagt ze dan. Ernstig, om voor mijn moeder antwoord te geven. Maar dat ben ik al wel zo’n beetje gewend inmiddels.
Mijn zus doet haar best om het gezellig te houden. Ze maakt grappen en houdt mam een beetje voor de gek. Mama lacht erom. Degene die ons ontvangt, zegt dat mijn moeder lieve en mooie dochters heeft. Mam glundert, dat hoort ze graag! Mam houdt zich sterk, zoals ze altijd heeft gedaan. De grappen van één van haar dochters helpen daar ook wel bij. Grappen en vervelende gebeurtenissen weglachen, dat is wat we altijd hebben gedaan. Daar kan ik niet zo goed meer aan meedoen. Af en toe een grap is prima. De situatie is echter niet grappig. Ruimte voor verdriet is er dan niet. Dat uit je niet waar anderen bij zijn. Dus ik blijf bij mezelf en af en toe komen de tranen hoog, zoals dat regelmatig gebeurt op deze dag.
Als we mama’s spullen uit de auto gaan halen, komen we mijn schoonzus tegen. Haar ouders wonen er ook. Ze zegt: “het went nooit”, we omhelzen elkaar en krijgen tranen in de ogen. Een kort moment want ik wil toch ook wel weer verder. Niet teveel erbij stil staan dat het nooit went, je moeder op een gesloten afdeling levend in een andere wereld. Een wereld die onbekend is en waar ik niet kan gaan.
Nadat we de spullen op de juiste plaats hebben gebracht, moet ik gaan. Thuis ben ik weer nodig. Een knuffel voor mam… “hou je haaks”, wat anders kan ik zeggen? “ Waar is mijn sleutel?”, vraagt ze nog. En dan ga ik, laat mijn moeder achter in een vreemde omgeving met alleen nog haar kleren, toiletspullen en een rolstoel. Dan denk ik: “Net een hotel mama, je portemonnee heb ik ook. O ja, een sleutel heb je ook niet meer”. Een hotel maar geen vakantie. Een hotel tot je dood. Lieve mensen die het beste met je voor hebben en die je goed verzorgen. Je bent veilig, kunt niet zomaar de straat meer opgaan.
Wat een wereld! Een realiteit die niemand kent, alleen jij. Alleen, je was al zo eenzaam. Nu ben je ook nog alleen in jouw wereld. Als het kan, zal ik je er af en toe bezoeken. |